Het Lot

Gepubliceerd op 7 januari 2024 om 08:35

“Drie keer been!”, roept Frieda hard achter me. Snel sla ik met mijn kleine handdoekje de steekvliegen van mijn benen. Ze zwermen om me heen. Om mij dus. En niet om Frieda. Zo gaan die dingen. Met een lamme arm van het zwaaien lopen we door natuurpracht van buitenaardse schoonheid. Dik in de Bushmen, het allerbeste anti-insectenspul van Australië, een zwaaihanddoekje en de liefdevolle aanwijzingen van Frieda. Mijn dag kan toch niet meer stuk.

 

Ik begon de ochtend met iets nieuws, iets dat ik anders nooit doe. Mijn koffie omgooien. Niet zomaar koffie, nee de koffie die Frieda met de hand had opgegoten. Op de filtertjes die we op eerste kerstdag speciaal hiervoor in de Japanse supermarkt hadden gekocht. De aller-aller-lekkerste koffie en mijn enige ontbijt. Zomaar over de grond. Daar baal ik dus van, want ik ben niet zo goed in knoeien en dan mijn schouders ophalen. Zodra we de auto instappen start een hoosbui die uren aanhoudt. Hartstikke goed begin van de dag. 

 

Terwijl we parkeren bij het bezoekerscentrum, plokt er nog een sporadisch druppeltje op de voorruit. Ik lach naar Frieda, zo gaan die dingen. Het universum leidt ons precies naar waar we moeten zijn. Binnen een vriendelijke, doch weinig begripvolle mevrouw. Ze kan of wil ons niet vertellen waar we ze kunnen zien. Ik leg haar uit dat dáár zijn, wetende dat zij daar ook zijn zonder ze te kunnen zien, mijn hart ook sneller laat kloppen. Ze wijst op een exemplaar in de vitrine. We hebben ze hier toch ook? Met vallen en opstaan heb ik geleerd om niet teveel onbegrip op te bouwen voor wie mij niet begrijpt. Zo gaan die dingen. Ik vind ze zelf wel. 

 

Voorzichtig rijden we het adembenemende natuurschoon van het Dhilba Guuranda-Innes National Park in. Lekker langzaam – hier steekt veel wild over zonder waarschuwing – tuffen we naar het meer waarvan ik vrij zeker ben dat ze daar leven. Vanaf de parkeerplaats tuur ik reikhalzend naar het blauwe meer. Vrijwel direct sta ik ernaast, sneller dan ik had gedacht, zomaar midden voor mijn neus onder het rimpelende wateroppervlak. Stromatolieten. Ontroering en vreugde in alle cellen van mijn lichaam. Binnen een week of vijf heb ik niet alleen, de zeer zeldzame trombolieten, gezien maar ook hun nog zeldzamere voorouders, stromatolieten. Zonder dat ik ernaar op zoek was.

 

Frieda kijkt meewarig naar de millennia-oude, rotsachtige bollen in het water op een verder uitgestorven strand. Ze geniet vooral van mijn enthousiasme, van mijn ontroering. Dichterbij de oorsprong van het leven kan je haast niet komen. We lopen nog wat rond in het verlaten mijndorpje waar de parkeerplaats eigenlijk voor is bedoeld. De zon brandt plots zo fel dat de vliegen zich prompt rond mij verzamelen. Tot overmaat van ramp klimmen de termieten zich via onze schoenen al bijtend omhoog. De natuur is hier bepaald geen sprookje. Ik kan mijn geluk niet op. David A. zal ook wel eens een zoemend beestje in zijn oor hebben gehad.

 

We waren het helemaal niet van plan. Als die witte haai en die jongeman elkaar waren misgelopen, dan bewonderden we al snorkelend hier voor de kust nog wat onderwaterpracht. Als ons motel annuleringen had aangenomen dan genoten we elders vliegvrij van het leven. Dan was ik waarschijnlijk voorgoed stromatolietloos door het leven gegaan. Maar het liep anders. Zo gaan die dingen. 

 

Verstuurd met heel veel insectenspul