Net als ik al mijn winterkleding aan heb getrokken voor een loopje door de zoveelste novemberhagelstorm, krijg ik zijn appje. Er lukt iets heel erg niet, iets met zijn huiswerk, op zijn computer. Hij stuurt een schermprint met rode tekst mee. Ik twijfel kort, buienradar belooft het komende half uur slechts matige hagel en maar een beetje regen. Maar hij vraagt me zelden om hulp, alleen als hij het echt nodig heeft. Dus bel ik aan bij het huis naast het mijne. Mijn buurman opent met verhit, rood hoofd en verzucht “Probleem met die bailaag”.
De dag dat hij met twee, eveneens Bulgaarse, collega’s zijn intrek in ons buurhuis nam, staat me vers in het geheugen gegrift. Het was de dag dat ik me er pijnlijk bewust van werd dat ook ik met twee maten meet. Of mat. Want het is ook de dag dat ik besloot dat ik zo’n mens niet wilde zijn. Zo een die vriendelijk fietsen, kleding en kinderspeelgoed naar haar nieuwe Oekraïense buren brengt, maar haar nieuwe Bulgaarse buurmannen vanachter argusogen beziet. Zo iemand wil ik niet zijn. Never, ever, nooit, niet.
Dus bellen we, met lichte bezorgdheid aangaande zijn tolerantie richting onze kleurrijke samenlevingsvorm, mogelijk gedoe over geluid en door taalbarrières aangejaagde miscommunicaties, aan. Frieda strekt enthousiast haar hand uit naar de zijne en start haar charmantste spraakwaterval. Hij zoekt mijn ogen en in een flits zie ik herkenning. Hij vindt haar net als ik ook heel aardig. En hij kan, net als ik, ook niet helemaal volgen wat ze zegt. Ik mag hem meteen.
Er volgen maanden van honingpotjes voor de deur, hartelijk zwaaiende bebaarde mannen en ontwapenende gesprekken over zijn gezin ver weg. Pas als we elkaar ruim een jaar kennen vertelt hij over de MBO-opleiding die hij via zijn werk in het slachthuis volgt. Hij vertrekt elke ochtend rond 5:30 uur uit onze straat om net op tijd voor de avonddis weer binnen te vallen, 5 tot 7 dagen per week. En ergens tussendoor volgt hij ook gewoon nog even een opleiding. Wanneer het er echt toe doet, check ik zijn powerpoint over Bulgarije op taalfouten of wurm ik me een weg door een vage opdracht over veiligheidsmiddelen.
Hij redt het doorgaans prima, maar vandaag net als hij een examenopdracht digitale vaardigheden moet inleveren is het universum hem zeer ongunstig gezind. “Siendie, wat met die bailaag?”, vraagt hij me. Tevergeefs, want ook ik zucht met lichte irritatie richting zijn computerscherm. Hij biedt me een grote, voorverpakte koek en een kopje gitzwarte thee aan, terwijl hij me zijn computer toevertrouwt. Het raakt me dat hij het, in een maatschappij die hem wantrouwt, weet op te brengen mij te vertrouwen. Vraag me niet hoe, maar een luttele drie kwartier later zoeft de bijlage soepeltjes richting examenbureau. Hij kijkt me dankbaar na als ik in de hagel richting de supermarkt vertrek. Niks geen dank nodig, want door hem ben ik de mens geworden die ik wil zijn. Da’s nog eens een geschenk.
Geschreven zonder uitsluiting
Maak jouw eigen website met JouwWeb