De strandboulevard strekt zich lang voor me uit richting een punt op de horizon dat ik nog nooit eerder bezocht. Palmbomen wuiven me van boven toe, terwijl ik mijn drafje inzet. Gisteren knarsten mijn hersenen mijn verlangen het strand te bezoeken én hard te lopen tot één activiteit. Hardlopen met zeezicht.
Met dat piepkleine, blauwe handdoekje, dat met mij de hele wereld rondreist, in mijn hand geklemd pak ik de tram naar het stand. Eenmaal binnen kijk ik de controleurs vragend aan. Waar of dat ik in moet checken? Bij de halte….oeps. Ze lachen als ik bij de volgende stop een sprintje naar de check-in hol en weer terug de tram in. Mijn warming-up zit erop.
Het strand is breed en ik juich bij de aanblik van de voetenkranen. Ik ben dól op voetjes in de zee én heb een bloedhekel aan zand tussen mijn tenen. Een uitdagende combinatie die ik na een half eeuwtje zelf vrij schattig begin te vinden. Ik draaf gestaag richting de horizon, keer om en draaf dan naar de andere horizon. Hardlopen is nooit saai.
Wie mij goed kent weet dat ik vooral naar het strand ga voor De Zee. Dat zand neem ik op de koop toe, wetende dat er altijd zoute golven op me wachten na dat vreemde poeder. Dus trek ik dankbaar mijn veters los, stop mijn sokken diep in mijn schoenen en stap in het warme zand op weg naar waar ik wil zijn. Mijn blaren sissen nog net niet in het koele zeewater. Het kietelt mijn tenen. Lang slenter ik door de branding langs die ruisende golven. De zee is geen minuut hetzelfde. Eindeloos en een vast anker. Waar ik ook ben.
Omdat het soort van lunchtijd is in Spanje, zoek ik iets waar vis uit de frituur niet de hoofdmoot van het menu is. Aan het strand kookt men hier soms jakkie-bah. Natuurlijk komt precies daar waar de salades lekker zijn, net een tafeltje vrij in de halfschaduw. Zeewier, zalm en sojaboontjes. Aan het strand. Ik denk aan mijn nichtje die hier ongetwijfeld enorm van zou hebben genoten.
Met brandschone, afgespoelde en weer frisse voeten stap ik in de tram naar huis, alwaar ik wederom voor de buis in slaap val. Spanje doet me goed. Aan het einde van de middag stap ik weer fris de metro naar het centrum in voor nog één keer die heerlijke groente-knaag. Een ouder echtpaar voor me doet dapper een poging om het bestelsysteem en dit etenstype te doorgronden. Ik wacht heel geduldig als de dame achter de kassa alle tijd neemt om ook hen hierin vertrouwd te maken. Meneer kijkt met argusogen naar de H2O-bar. “Doe mij maar rode wijn”, antwoordt hij ondeugend. Spanje omarmt alle generaties. Ik hou er zo van.
Dus zit ik weer te eten tussen drie generaties en minstens vijf andere talen dan mijn moedertaal. Als het hier kan, moet het elders toch ook mogelijk zijn? Zou groente-knaag een sleutel kunnen zijn tot wereldvrede? Of is het toch dat hippe d(r)euntje?
Verstuurd met nul zandkorrels
Maak jouw eigen website met JouwWeb