Heel voorzichtig stap ik de steile trap van ons hippe slaaploftje af. Licht overal, want gordijnen ontsieren de strakke industriële look. Vrijwel alles is handgemaakt, van multiplex en steigerbuizen. Alles rond en glad geschaafd, afgewerkt met blanke lak. Functioneel en tot in de puntjes voorzien van aandacht. Met lichte bezorgdheid kijk ik naar de enige grote knop in de badkamer. Niks geen kraan verders. Ik maak voor het eerst kennis met een digitale douche.
Na een ontbijt met warmgeroosterde bagels en sterke koffie besluit ik er een hardloopje aan te wagen. Al 20 jaar verken ik waar ik ben al hollend het landschap. In kou, warmte, regen, extreme droogte, naast een bosbrand, tussen beren, slangen, koeien en knutjes, heuvel op, op casseien, rotsen, rood zand, mos, zwart asfalt, gras, heel vroeg of juist laat, met honger, een blaar, links en rechts van de weg, langs de Stille oceaan en de Renkumse beek, met en zonder zin. Hier kom ik tot het hek….een file van auto’s tot aan het strand 5 km verder blokkeert alle wegen van en naar onze lodge. Stug zigzag ik tussen de ronkende automobielen die in de hete zon staan te branden. Ik voel de hitte die ze uitstralen, mijn longen vol uitlaatgassen. En dat alles omdat de strandparkeerplaats minder auto’s toelaat vanwege het milieu. Dat pakt lekker uit lijkt me. Goed bedacht.
Om het geheel natuurtechnisch weer enigszins te balanceren, stap ik bij terugkomst direct de wilde bloementuin in voor wat onze gastvrouw liefkozend een bloemenbad noemt. Temidden van een bloemenzee helemaal voor ons alleen, spelen we cribbage tot het straatje eindelijk autovrij lijkt. Als we naar zee wandelen vindt Frieda een voetpad dwars door de tuinbonenvelden. Daar ben ik dus dol op. Ik proef ze zo van de plant, zoet en knapperig. Wind en zon op mijn gezicht. Vrijheid van ongekende proporties.
Onze voettocht eindigt dit keer in East-Wittering waar het ontzettend rustig is. Zouden al die filegangers op weg naar West-Wittering niet weten dat er ook een Oost bestaat? Zodra we het strand oplopen zie ik het antwoord: het strand is in de Oost, in tegenstelling tot het zandstrand van de West, van kiezels. Van die grote en die zijn blijkbaar minder geliefd. Ik kijk gebiologeerd naar die frisse grijstinten en wikweeg of ik mijn zachte voetjes ga pijnigen voor een voetje in de zee. Ik zwicht wegens het je-bent-hier-maar-één-keer-mantra en trek mijn schoenen zo dicht mogelijk bij de zee uit. Als een fakir op een spijkerbed loop ik een piepklein stukje het water in. Niet te doen. Zonder meer af te raden.
Maar als ik piepend op het strand kniel om mijn voeten weer met schoeisel te beschermen, komt de beloning. Nu pas hoor ik het. Het geluid van terugtrekkend zeewater over de kiezels. Een nieuw geluid dat los van deze context klinkt als een luid applaus. Frieda komt naast me zitten, ook zij krijgt een daverend applaus. Heeft ze verdiend. Samen luisteren we net zo lang naar het kiezelstrand tot we honger krijgen.
Ik begin erin te komen, in dit vreemde en toch zo bekende eiland. Het land van kiezelstranden, van rustige campings met alleen maar Britten, van rijstpudding in blik, waar de dop niet vastzit aan de fles. Waar men zelfs na uren in de file een beleefd grapje kan maken. Het land dat haar schoonheid niet pontificaal etaleert, maar haar ontwapenend onthult aan wie bereid is ernaar te luisteren.
Geschreven met verwondering
Maak jouw eigen website met JouwWeb