De Monnik

Gepubliceerd op 18 juni 2026 om 18:06

Als je niet had gezegd wie hij was. En als hij niet gekleed was in de, voor Tibetaanse monniken zo kenmerkende oranje-rode kleur, dan was hij me niet opgevallen. Deze heel bijzondere man. Hij oogt rustig, vriendelijk en een tikje ondeugend. Mijn favoriete combinatie. Ik besluit al mijn weerstand tegen het thema van de avond - meditatie - te laten varen. Hij zal wel weten hoe het moet. 

 

Al in de eerste seconden van onze ontmoeting maakt hij een diepgaande indruk op me. Zoals hij daar zit op die stoel in de zijbeuk van de kerk op nog geen 5 meter van me af. Hij is aanwezig en ontspannen tegelijk. Een combinatie die ik nog niet geheel onder de knie heb. Hij lijkt het koud te hebben en slaat nog een rood omslagdoekje om zijn benen. Ik gniffel, want heb het bloedheet. Hij lacht naar me. Ik frommel onbeholpen aan mijn naamsticker en voel me volstrekt niet toegerust voor wat er komen gaat.

 

Op zachte en langzame toon vertelt hij wat belangrijk is in zijn leven en in het leven van wie een vleugje boeddhistisch invloed wil toelaten. Ik ben verbaasd als hij als eerste vertelt over zijn leermeesters, zijn leraren, zijn moeder als belangrijkste. Niks van de mij zo bekende verhandeling over hoe vaak je moet mediteren, hoe lang en waar. Of nog erger, wat het effect op je zielerust zou moeten zijn. Nee, een leven lang leren. Dat is zijn wijsheid. Ik zie meteen mogelijkheden.

 

Hij vervolgt met de wijsheid dat alles start met compassie voor jezelf. Check. Maar ook die beheers ik nog niet in de puntjes. Hoe vaak moet ik daar welke meditatie oefening voor doen? Hij raakt teder met zijn linker wijsvinger zijn lippen aan. Hij vertelt hoe dankbaar hij is voor zijn mond. Hij kan er heerlijks mee eten en kussen wie hij lief heeft. Hij vraagt ons redenen te zoeken om elk stukje van ons lijf dankbaar te zijn. Ik maak lijstjes voor mijn neus, ogen, oren, benen, maar blijf even blanco bij mijn buik. De weegschaal was mij die ochtend niet gunstig gezind. Tot ik me realiseer dat mijn grootste kracht, mijn intuïtie, huist in wat ik krampachtig zit in te houden. Ik haal adem en laat los. Het boeddhisme is aardser en eenvoudiger dan ik dacht. 

 

Zodra we gaan zingen merk ik het effect van de eerdere lichaamsoefening. Ten eerste omdat mijn gebruikelijke schroom wegens zingen in het openbaar geheel achterwege blijft. Maar zeker ook omdat ik wonderschoon blijk te klinken zo met elkaar. Ik hoor mijn heldere geluid en dat van ons samen. Ik neem mezelf met nieuwe ogen en oren waar. Terwijl we Om-en resoneert elke vezel in mijn lichaam mee op het zuivere, unieke  geluid dat we als groep produceren. Onbekende mannen en vrouwen die samen op een doordeweekse dinsdagavond de sterren van de hemel zingen. Zonder vooraf te oefenen of elkaar zelfs maar te kennen. Ontroerend en verbindend.

 

Nooit ontmoette ik iemand die zo zichzelf is. Die op geen enkele wijze zijn best doet om aardig gevonden te worden, of lief, of slim, of sterk, of belangrijk. En het toch allemaal is. Steeds als tijdens de workshop de Wel Heel Aanwezige Meneer het woord kaapt en vasthoudt, sluit de monnik zijn ogen. Af en toe verdenk ik hem ervan even een tukje te doen. Maar steeds als hem dan een vraag wordt gesteld, vraagt hij de steller de vraag te herhalen, neemt even  de tijd en laat het antwoord uit zijn binnenste komen. Wijsheid in haar puurste vorm. Ook als hij het verhaal ervoor niet echt heeft meegekregen. Of misschien juist wel, doordát hij zich daarvan vrijwaart. Ik zie plots onbegrensde mogelijkheden. Ik hoef helemaal niet netjes en aandachtig naar alles en iedereen te luisteren om van toegevoegde waarde te zijn. Sterker nog…

 

Wereldvrede. Het ademt uit elke porie van zijn lijf, uit elk woord dat hij spreekt, uit elke stilte die hij vasthoudt. Ik zie zijn diepe verlangen voor ons, voor de wereld, in zijn ogen. Een leven lang leren om het eigen ego in beheer te krijgen, van jezelf houden én van de ander en leven vanuit het besef dat we met elkaar zijn verbonden en elkaar nodig hebben. Zo gek doe ik het nog niet. 

 

Hij hangt liefdevol een witte sjaal om mijn nek en bedankt me zachtjes voor mijn aanwezigheid. Een beetje beduusd loop ik de kerk uit. “Hoe was het?”, vraagt Frieda, die me op komt halen. Ik merk dat er iets heel kleins is veranderd in mijn binnenste. Ik heb weer hoop. En nu, na een paar dagen, blijkt dat alle verschil te maken.

 

Geschreven op het regenboogbankje in het park 



Maak jouw eigen website met JouwWeb